Zonnelied van Achnathon
Bovenaan: Een huisaltaar met Akhenaten, Nefertiti en drie van hun dochters, onder de stralen van de zonnegod Aton (omstreeks 1350 v. Chr., Amarna-periode). 18e dynastie, regering van Achnaton.
Gij verschijnt prachtig in de lichtwoning des hemels, o Aton, levende die het eerst hebt geleefd! Wanneer gij opgaat in de oostelijke lichtwoning, vult gij alle landen met uw schoonheid.
Wanneer gij blinkend en groot zijt, schitterend en hoog boven alle landen, omvatten uw stralen de landen tot de uiterste zone van al wat gij gemaakt hebt. Wijl gij de zon zijt, bereikt gij hun uiterste zone.
Gij knecht ze voor uw beminden zoon. Ofschoon gij verre zijt, zijn uw stralen op de aarde; hun ogen zien u, hoewel men uw gangen niet kent.
Wanneer gij ondergaat in de westelijke lichtwoning, ligt de aarde in duisternis, als ware zij dood. De slapers bevinden zich in hun kamer met omhulde hoofden; het Γ©ne oog ziet het andere niet. Wanneer al hun bezittingen gestolen worden – zelfs al liggen zij onder hun 'hoofd, zij merken het niet. Alle roofdieren komen uit hun holen te voorschijn, al het kruipende gedierte bijt.
Wordt het verlichte huis verduisterd, dan ligt de aarde in zwijgen, want hij, die hen gemaakt heeft, is ondergegaan in zijn lichtwoning.
In de ochtendschemering gaat gij weer op in de lichtwoning, gij straalt als Aton bij dag, gij verdrijft de duisternis, gij zendt uw stralen neer en de beide landen zijn in feeststemming, de mensen ontwaken en gaan staan op hun voeten; gij hebt hen opgericht. Zij wassen ,hun lichaam en trekken hun kleren aan; hun armen zijn in aanbidding geheven voor u, wanneer gij verschijnt. De gehele mensheid verricht haar werk, alle dieren doen zich te goed aan hun weide. Bomen en planten worden groen. De vogels, die opvliegen uit hun nesten – hun vleugels zijn in aanbidding geheven voor uw wezen. Alle gedierte huppelt op zijn voeten; al wat opvliegt en neer strijkt – zij leven, wanneer gij voor hen opgaat. De schepen varen stroom af en stroom op en ook alle wegen liggen open, wanneer gij verschenen zijt. De vissen in de rivier springen op voor uw aangezicht, want uw stralen dringen door tot in het binnenste der zee.
O, gij die zaad herschept tot vrouwen, die vocht tot mannen maakt, die het kind in leven houdt in de schoot zijner moeder, die het sust, zodat het. niet schreit, voedster in de moederschoot, die lucht schenkt om leven te geven aan al wat gij maakt. Verlaat het de moederschoot op de dag zijner geboorte, dan opent gij zijn mond geheel en zorgt voor zijn nooddruft. De jonge vogel in het ei, die in de schaal reeds spreekt -gij geeft hem daarin lucht om hem in leven te houden. Gij hebt hem in het ei zijn bepaalde tijd gesteld om het te breken, en op zijn bepaalde tijd kruipt hij uit het ei om te spreken. Hij loopt op zijn voeten, zodra hij eruit gekropen is.
Hoe talrijk is wat gij gemaakt hebt, het is teveel om te zien. O, enige God, wien geen ander evenaart, gij hebt de aarde om uwentwil geschapen, gij alleen: mensen en alle klein en groot gedierte, al wat zich op aarde bevindt, dat zich voortbeweegt op voeten, wat er is in den hoge en vliegt met zijn vleugels, de vreemde landen, SyriΓ« en NubiΓ«, en het land Egypte. Gij hebt ieder mens op zijn plaats gesteld. Tongen en oren zijn gescheiden door de talen, hun karakter en ook hun uiterlijk is verschillend. Gij hebt onderscheid gemaakt tussen Egypte en de vreemde volkeren: gij hebt een Nijl gemaakt in de onderwereld, gij brengt die, naar het u behaagt, om de Egyptenaren in leven te houden, daar gij hen gemaakt hebt voor u, hun aller heer, die u moeite voor hen geeft, heer van alle landen, die voor hen opgaat, Aton van de dag, ontzagwekkende. Doc,h ook van alle verre vreemde landen maakt gij de leeftocht: gij hebt een Nijl in de hemel geplaatst, die voor hen neerdaalt en die op de bergen waterstromen .vormt als de zee, om hun akkers te bevochtigen met hetgeen hun toekomt. Hoe uitnemend is uw voorzienigheid, o heer der eeuwigheid! De Nijl in de hemel, hij is bestemd voor de vreemde volken, voor al het gedierte in den vreemde, dat zich voortbeweegt op voeten. Egypte daarentegen bezit de Nijl. die uit de onderwereld komt.
Uw stralen voederen alle tuinen; wanneer gij opgaat, leven en groeien zij Voor u. Gij maakt de seizoenen om op te kweken al wat gij gemaakt hebt, de winter om hun koelte te geven, de hitte opdat zij u ervaren. Gij hebt de hemel verre gemaakt om daarin op te gaan om te zien al wat gij gemaakt hebt, gij alleen. Wanneer gij opgaat in uw gedaante als levende Aton, schitterend en stralend, ver en toch dichtbij, maakt gij talloze gedaanten uit u, den Γ©ne: steden, dorpen en akkers, weg en rivier. Alle ogen schouwen u tegenover zich, zolang gij de Aton van de dag zijt boven de aarde. Zijt gij dan heengegaan, dan zullen alle ogen, wier gezicht gij geschapen hebt, u niet meer zien, noch iets wat gij gemaakt hebt. Doch ook dan zijt gij in mijn hart.
Voor Emilie
| EINDE |

