Over helderziendheid

 

Maarten Houtman tijdens vakantie in 'Le Couvent' in Azillianet (F). 

Toen ik Maarten Houtman een keer vertelde, dat ik zo’n goed contact had met de assistente van mijn tandarts, die Sophie heette, zei hij: “Die Sophie heeft een hekel aan je…”

Nou, daar kon ik met m’n verstand niet bij … hoe kon ik me zo vergissen? Het kan ook zijn dat ik het diepweg wel begreep – alleen al Maartens tegenwoordigheid nam je mee de diepte in.

Nu denk ik: Sophie was iemand van kleur, had ik daardoor die blinde vlek? Misschien was mijn sympathie voor haar wel ‘overcompensatie’. Met andere woorden: deed ik zo m’n best, om daarmee iets te verbergen? Heet dat geen ‘positieve discriminatie’?

Maarten had me al eens gewezen op mijn ‘racisme’, zie: Een molensteen in de vijver…


Ik heb kennelijk al die tijd instinctief gevoeld, dat ik de kwestie van Maartens helderziendheid in deze maar moest laten rusten, dat ik er niet met m’n verstand aan moest peuteren.

Wat ik ook niet meer weet, is in welke volgorde die twee gebeurtenissen zich hebben afgespeeld, wat kwam eerst?

Dat blijft een beetje wringen: altijd weer die behoefte aan logica…


En er was pas nóg een gebeuren, een influistering die ik ontving. Toen ik aarzelde bij het door tandarts Negrea voorgestelde ‘klikgebetje’, klonk het: “Ik zou het maar doen…”.

Alsof ik een ingreep van boven nodig had, om over mijn schaduw te stappen. Om niet altijd maar in die vastgeroeste tredmolen te blijven lopen van gereserveerdheid en afwijzing. En zo een nieuwe wending te kunnen geven aan mijn bestaan en een prothese te accepteren – die als ingreep van buitenaf, integraal deel van mijn lichaam ging worden, medereiziger in dit aardse bestaan.


Nu moet ik plotseling ook denken aan de miraculeuze wijze waarop, bij het afscheid van de Jisperveldstraat een jaar geleden , mijn bril daar spoorloos verdween – en ondanks het omkeren van alle huisraad en het doorvoelen van alle zakken, spoorloos bleef, wat ik ook deed. Zodat ik de hele procedure van oogmeting en passen van monturen opnieuw moest doorlopen – waardoor ik niet alleen een nieuw maatje kreeg, maar ook het gezelschap van alle mensen die bij het aanschaffen waren betrokken.


De grote vraag blijkt te zijn: hoe kun je telkens een nieuw begin maken in dit ondermaanse, vloeibaar zijn en niet hechten – ook al wordt dat telkens ingeleid door verlies en afstand doen.


Het is ook een prachtige illustratie dat juist in het alledaagse leven onze worstelingen plaatsvinden, dat dáár het inzicht kan groeien – in een niet-aflatend onderricht: ‘Het zit in de heel gewone dingen’.


Bij die laatste zinsnede: ‘in een niet aflatend onderricht’, kwam de herinnering in me op aan de passage in ‘De breuk’, Maartens autobiografische roman, waarin hij in het kamp gezelschap heeft gekregen van Igor Warshdad, de ‘heilige’ die hij uit vroegere jaren kende, die hem daar onderricht:


“Maanden lang, als in één aaneengesloten gesprek, dat vaak zonder woorden tot in de slaap doorgaat, doet hij in mij een inzicht ontstaan, dat vanaf mijn vroegste jeugd telkens is opgelicht in het samenzijn met bomen, rivieren, en het meegroeien met de rijst en het alleen zijn onder de sterren, het kunnen wegdromen in het zwijgende, alles samenbindende dat je alleen kunt ervaren, niet zien, al is het werkelijker dan je adem. In de schemering licht zijn gezicht op en ik luister doodstil naar zijn woorden:”

En dan gaat het gesprek in het verslag door, maar nu in woorden.


Want is het geen onderricht wat ik lijk te krijgen, terwijl ik voortdurend aan ‘helpen’ denk.

Mijn gevoel is, dat Maarten voortdurend bij me aanwezig is en me bij de hand neemt – er is vrijwel geen moment dat dat bewustzijn van zijn aanwezigheid ontbreekt.

En dan moet ik aan die uitlating van Hanna denken, die me vertelde dat Maarten aan haar gevraagd had of hij hij na zijn sterven ‘contact met haar zou houden’.

”Nee, had ze gezegd, je hebt je leven lang hard gewerkt, nu mag je rust houden.”

Dat scheen mij toen totaal onbegrijpelijk toe: ‘rust houden’, maar dat is toch een totaal andere werkelijkheid… Ik vond het bijna ‘dom’ van haar, van: maar zoiets wijs je toch niet af… Al helemaal als ik aan de worsteling van haar laatste levensjaren dacht…

Anderzijds: ik vond het toch wel dapper van haar.

Toch komt nu bij mij die gedachte regelmatig op, als ik verbinding met Maarten ervaar: ben ik hem eigenlijk niet tot last… En ook: ik leun maar op hem, moet ik het eigenlijk niet ‘zelf doen’?



TOEVOEGING 14 december:

Er is toch een moment, ontdekte ik, dat ik er helemaal alleen voorsta: als ik ‘zit’, als ik ‘mediteer’.

Een bijzondere ontdekking - die ‘om meer van mij vraagt’…


TOEVOEGING 17 december:

Omdat ik, lang geleden, de lichtwezens al had gezien maar terugkeerde omdat iemand me nodig had, zal dat de reden zijn dat als er iets tussen mij en Klaaske staat, het gevoel van bescherming ontbreekt – totdat dat weer geheeld is. Is dat niet het 'Zein zum Tode' zoals Heidegger het noemt?
Zie ook 'De legende van Koning David' over de momenten dat we onbeschermd zijn (bij 'Aanvulling op de legende van koning David').


Reacties

Populaire posts van deze blog